NEN normering touwparcoursen

doe je eigen eerste interne scan
19
okt

Handige checklist NEN 15567 1-2



Handige checklist NEN 15567 deel 1 en 2

Voor ondernemers met een low ropes of high ropes parcours is het soms moeilijk om erachter te komen wat er van je verwacht wordt volgens de geldende norm. Vaak is bekend dat de norm verplicht is voor de constructies die je gebruikt. Wat vaak niet bekend is dat de norm ook geldt voor het gebruik van het parcours. Dit staat omschreven in deel 2 van de norm. In deze blog beschrijf ik in hoofdlijnen wat er als ondernemer van je verwacht wordt. Hopelijk kan deze checklist jullie dan helpen bij het gehele proces: Ontwerp, bouw, keuringen, documentatie, opleidingen en begeleiding van gasten.

Er zijn een aantal algemene veiligheidseisen waar je vanaf het begin al rekening mee moet houden als je een parcours gaat exploiteren. Hier volgt een GLOBALE lijst!!! Voor de precieze inhoud en verwijzingen naar vele sub-normen adviseren we je om een expert in de arm te nemen.

Deel 1: Vervaardiging en veiligheidseisen

  1. de plek waar het parcours komt te staan mag geen extra gevaren met zich meebrengen op het gebied van bereikbaarheid, vocht, overstroming, lawinegevaar, evacuatiemogelijkheden e.d.
  2. de materialen die je gebruikt moeten voor het doel geschikt zijn, mogen niet giftig zijn, moeten duurzaam zijn zodat ze niet tussen twee inspecties door al kapot kunnen gaan en moeten redelijkerwijs tegen uv bestand zijn
  3. hout wat in contact staat met de grond moet duurzaamheidsklasse 1 of 2 hebben, maar beter is om dit te voorkomen
  4. overig constructief hout moet minimaal risicoklasse 4 hebben volgens de NEN 351
  5. let op dat je metalen onderdelen gebruikt die niet te snel roesten bij contact met behandeld hout
  6. staalkabels moeten geschikt zijn voor de toepassing. staalkabel met touwkern mag niet gebruikt worden.
  7. bij omwikkeling om bomen/ palen van staalkabels mag de hoek tussen paal/ boom en de zekerkabel niet groter zijn dan 60 graden
  8. staaldraadklemmen moeten voldoen aan de EN13411-5
  9. persingen dienen industrieel te zijn, mobiele persingen dienen dubbel uitgevoerd te worden
  10. plastic omwikkelde staalkabels en kunststof kabels worden vrijwel niet gebruikt. als ze wel gebruikt worden, zijn ze onderhevig aan een streng inspectie regime
  11. giftige/ gevaarlijke stoffen (bv asbest, creosoot) mogen in touwparcoursen niet gebruikt worden
  12. bewegende delen in touwparcoursen mogen geen letsel kunnen veroorzaken
  13. geen scherpe kanten of beknellingsmogelijkheden binnen bereik van klanten
  14. voldoende vrije valruimte/ afscherming van obstakels binnen de vrije valruimte
  15. bij gedwongen bewegingen dienen obstakels afgeschermd te worden als klanten er tegenaan kunnen botsen
  16. zekerlijnen moeten herkenbaar zijn. niet-zekerlijnen moeten beveiligd zijn tegen onbedoeld bevestigen van deelnemers
  17. meerdere levels in parcoursen mogen een snelle evacuatie niet hinderen
  18. bij technische berekeningen moeten permanente EN veranderlijke lasten meegenomen worden
  19. het veilheidssysteem moet een norm vereiste test met 600 kg kunnen weerstaan zonder vervorming
  20. alle veiligheids relevante verbindingen dienen en veiligheidsfactor 3 te hebben
  21. bestaande constructies waaraan of waarin gebouwd wordt moeten gecontroleerd worden door een ingenieur of ze de lasten kunnen/ mogen dragen
  22. bomen moeten voor het doel geschikt zijn en moeten beoordeeld worden op hun breekkracht
  23. ankers in rotsen moeten een veiligheidsfactor 4 hebben
  24. alle elementen en platforms moeten sterk genoeg zijn om de bedoelde last te dragen (inclusief eigen gewicht). platforms moeten stabiel zijn.
  25. ziplines (tokkelbanen) moeten altijd een actief en een passief remsysteem hebben
  26. aan het einde van een tokkelbaan dient een noodvoorziening te zijn die ernstig letsel voorkomt als het actieve en passieve remsysteem falen
  27. als het eindpunt van een tokkelbaan niet duidelijk zichtbaar is, dient er een start-stop systeem aanwezig te zijn
  28. alles wat gebruikt wordt in het veiligheidssysteem dient gecertificeerd te zijn, of voorzien te worden van bewijslast dat het sterk genoeg is
  29. bij intensief gebruik van het parcours dient het veiligheidsysteem hier op aangepast te zijn
  30. alle 5 vormen van veiligheidssystemen dienen conform de europese richtlijnen voor veilige pbm’s gemaakt te zijn
  31. boven 1 meter voethoogte moet een veiligheidssysteem aanwezig zijn (valdemping, water, netten, spotten e.d.)
  32. een doorlopend veiligheidssysteem mag niet te openen zijn zonder gereedschap
  33. valbeveiliging mag nooit meer dan 6g veroorzaken op het lichaam van de deelnemers
  34. bij gedwongen bewegingen (katrollen) mogen lichaamsdelen, haren en kleding niet bekneld kunnen raken
  35. botsingen tussen deelnemers op veilgheidskabels dienen voorkomen te worden
  36. verticale verplaatsingen in parcoursen dienen ook gezekerd plaats te vinden
  37. werkzaamheden aan parcoursen dienen uitgevoerd te worden met gebruikmaking van industrieel klimmateriaal
  38. alle elementen moeten in kaart gebracht worden tbv reddingen/ evacuaties
  39. als een instructeur de deelnemers niet kan zien op hoogte, dienen alle elementen voorzien te zijn van goede instructiebordjes
  40. de moeilijkheidsgraad van parcoursen moet bij het begin van elk parcours aangegeven worden bij supervisie level 3 (alleen kunnen horen van deelnemers)
  41. inspectiebedrijven moeten competent zijn in het uitvoeren van inspecties (ERCA)
  42. een ingebruikname inspectie is verplicht. advies is om dit door een type A gecertificeerde instantie te laten doen (moet wel competenties aan kunnen tonen)
  43. vervangingen (zelfde dimensies en materialen) hebben geen ingebruikname inspectie nodig
  44. veranderingen (geen nieuwbouw) zoals b.v. een nieuw zekersysteem mogen door een periodieke keuringsinstantie worden beoordeeld
  45. periodieke inspecties en inspectierapporten moeten voldoen aan de eisen uit de norm
  46. bij elk touwparcours dient een bouwboek (handleiding) aanwezig te zijn met richtlijnen voor onderhoud en inspecties met duidelijke criteria en werkwijzen
  47. elk parcours dient een technisch constructie dossier te hebben
  48. elk parcours dient een deugdelijke gebruikshandleiding te hebben
  49. elk parcours dient een verklaring van de bouwer te hebben, dat het parcours volgens de NEN15567-1 gebouwd is
  50. de handleiding bevat een verklaring van de bouwer dat hij zich, bij ontwerp en gebruik van normen, heeft gehouden aan de richtlijnen in de NEN15567. hierin dient ook de mate van zijn aansprakelijkheid opgenomen te zijn.
  51.  in de handleiding dient een goed inspectie- en onderhoudsregime beschreven te zijn met duidelijke tijdsintervallen en methodieken
  52. een bomenparcours dient een geldig boominspectierapport op locatie aanwezig te hebben.

Deel 2: Bedieningseisen bij touwbanen

bij het parcours moeten de volgende documenten aanwezig zijn:

  1. naw gegevens van eigenaar/ exploitant
  2. bouwvergunning, toestemming van de gemeente
  3. verklaring van de bouwer dat het parcours volgens de NEN15567-1 gebouwd is
  4. certificaat van de periodieke inspectie
  5. lijst van het personeel met hun functies, diploma’s en competenties
  6. polis van de aansprakelijkheidsverzekering (je bent dus verplicht om een goede avb te hebben die de aansprakelijkheid van “uitvoeren” dekt, en niet alleen het “organisatie” risico
  7. logboek met dagelijkse visuele inspecties
  8. ongevallen registraties
  9. pbm registratie- en inspectielijsten
  10. risico inventarisaties en beheerplan
  11. training documentatie van instructeurs en redders
  12. gedocumenteerde veiligheidsinstructies voor deelnemers
  13. gebruikshandleiding van de fabrikant
  14. noodplan
  15. boom inspectierapport
  16. periodiek inspectierapport (door externe deskundige)
  17. algemene (veiligheids) parkregels
  18. er dient een uitgewerkt opleidingsplan aanwezig te zijn dat voldoet aan de eisen uit de norm

basiseisen veilig gebruik touwparcours

  1. uitleg over de activiteit
  2. veiligheidsinstructies en verantwoordelijkheden van de deelnemers
  3. contra indicaties voor gebruik en beperkingen aan gebruik van het parcours
  4. informatie over de herkenbaarheid van de instructeurs
  5. de exploitant dient (voor zover redelijkerwijs mogelijk) toe te zien op een veilig gebruik volgens de norm
  6. de veiligheidsinstructies dienen gedocumenteerd te zijn en afgestemd te zijn op het veiligheidssysteem

eisen veiligheid en instructie:

  1. uitleg over het parcours en de gevaren (gebaseerd op de RIE)
  2. identificatie van de instructeurs en hoe met hen te communiceren
  3. uitleg dat iedere deelnemer te allen tijde in het zicht van een instructeur of een andere volwassene moet zijn
  4. wat deelnemers moeten doen bij een incident
  5. wat te doen als een deelnemer hulp nodig heeft
  6. uitleg over en demonstratie van veilig gebruik van pbm’s
  7. uitleg over de informatiebordjes aan het begin van ieder parcours en hoe die te interpreteren
  8. uitleg over de informatiebordjes bij de individuele hindernissen en hoe die te interpreteren
  9. bij zelf zekering (categorie a t/m c): praktijktest van deelnemer en toezichthoudende volwassene en uitleg dat minimaal 1 verbindingsmiddel te allen tijde vast moet zitten op de veiligheidslijn
  10. er dient altijd een praktijktest te zijn om te controleren of de veiligheidsregels begrepen zijn
  11. praktijktest bij categorie a t/m c: bediening van het veiligheidssysteem in een veilige omgeving. alleen deelnemers die voor deze test slagen, mogen het parcours op
  12. categorie d/e: test of deelnemers zich veilig kunnen aankoppelen aan het veiligheidssysteem
  13. als deelnemers zelf actief moeten remmen op tokkelbanen dan dient dit in een veilige omgeving getest te worden door een instructeur
  14. bij uitgifte van pbm’s aan deelnemers, moeten exploitanten zich houden aan de richtlijnen van de fabrikant van de pbm en de regels van de bouwer
  15. welke pbm’s gebruikt worden, moet beoordeeld zijn in een RIE
  16. een instructeur controleert of de pbm’s goed zitten bij de deelnemers (ook na een pauze of sanitaire stop)
  17. looppaden van toeschouwers zijn zo gemarkeerd dat ze niet geraakt kunnen worden door vallende objecten of door deelnemers
  18. tijdens een redding dient de vereiste mate van toezicht gehandhaafd te blijven
  19. deelnemers en instructeurs moeten te allen tijde met elkaar kunnen communiceren
  20. de mate van toezicht dient minimaal te voldoen aan: Table 1 — Minimum supervision levels 1 to 3 depending on safety categories and the participant’s age
  21. bij toprope gezekerde parcoursen dient er minimaal 1 instructeur aanwezig te zijn per 4 touwgroepjes, waarbij de instructeur direct fysiek kan ingrijpen
  22. bij spotten dient een instructeur de spotters te kunnen zien en hen verbaal instructies te kunnen geven
  23. spotting mag tot een voethoogte van 1,8 meter zonder valdempende ondergrond en tot maximaal 3 meter MET valdempende ondergrond (dit is overigens in strijd met de ARBO wet, dus doe dit niet met medewerkers!)

eisen inspectie evacuatie en onderhoud

  1. de handleiding van de fabrikant geeft specifieke informatie over inspectie en onderhoud, en dient te voldoen aan de eisen uit de norm
  2. een routinematige visuele inspectie dient uitgevoerd te worden elke dag dat het parcours gebruikt wordt, vóór de opening en moet minimaal aan de eisen uit de norm te voldoen
  3. een operationele inspectie moet minimaal elke 3 maanden gebeuren, waarbij ook gekeken wordt naar slijtage, juiste werking, smering, aandraaimomenten etc. in de norm staat een checklist
  4. een periodieke inspectie dient minimaal jaarlijks plaats te vinden, met een maximale interval van 15 maanden (het overall regime moet wel jaarlijks zijn). dit dient te gebeuren door een extern, competent inspectiebedrijf. in de norm stat een checklist
  5. een boominspectie dient jaarlijks plaats te vinden volgens bijlage A van de 15567-1 met een maximale interval van 15 maanden (zie hierboven)
  6. pbm’s moeten minimaal 1 x per jaar geinspecteerd te worden door een competente en goed opgeleide pbm inspecteur
  7. er dient een noodplan aanwezig te zijn met namen van redders en locatiegegevens van het park, de manieren van communiceren, welke reddingsmaterialen er zijn en waar ze zich bevinden en de procedures bij evacuatie van 1 persoon of alle deelnemers
  8. rie’s moeten up-to-date gehouden worden op basis van branche informatie en/of incidenten
  9. een voorbeeld van een rie is te vinden in EN 15567–1:2015, Annex D. weer, locatie, deelnemer, instructeur en materiaal moeten minimaal meegenomen worden in de beoordeling van de risico’s.

SBP helpt u graag verder met het maken van de juiste keuzes!


Disclaimer: aan deze blog kunnen geen rechten worden ontleend en beoogt niet volledig te zijn. Blijf je verstand gebruiken!

Laat een reactie achter

You are donating to : Greennature Foundations

How much would you like to donate?
$10 $20 $30
Would you like to make regular donations? I would like to make donation(s)
How many times would you like this to recur? (including this payment) *
Name *
Last Name *
Email *
Phone
Address
Additional Note
paypalstripe
Loading...